Begrippenlijst Driehoeken

De belangrijkste termen kort en duidelijk uitgelegd

Laatst bijgewerkt op 7 juni 2026.

Loop je tijdens het rekenen vast op een term? In deze begrippenlijst vind je alle veelgebruikte woorden rond driehoeken, alfabetisch geordend en kort uitgelegd. Veel begrippen verwijzen door naar een pagina met meer uitleg.

B

Basis
De zijde van een driehoek die als grondlijn wordt gekozen voor een berekening; de bijbehorende hoogte staat er loodrecht op.
Bissectrice
Een lijn die een hoek precies in tweeën deelt. De drie bissectrices van een driehoek snijden elkaar in het middelpunt van de ingeschreven cirkel.

C

Cosinusregel
Verband c² = a² + b² − 2ab·cos(C) dat in elke driehoek geldt; een uitbreiding van de stelling van Pythagoras. Zie de formules.

D

Driehoeksongelijkheid
De regel dat de som van twee zijden altijd groter is dan de derde zijde. Pas als dit voor alle drie de combinaties geldt, bestaat de driehoek.

G

Gelijkbenige driehoek
Een driehoek met twee even lange zijden en twee gelijke hoeken. Zie soorten driehoeken.
Gelijkzijdige driehoek
Een driehoek waarvan alle zijden even lang zijn en alle hoeken 60°. Zie soorten driehoeken.
Goniometrie
Het deel van de wiskunde dat verbanden tussen hoeken en zijden beschrijft met sinus, cosinus en tangens (SOSCASTOA).

H

Hoek
De opening tussen twee zijden, gemeten in graden. De drie hoeken van een driehoek zijn samen altijd 180°.
Hoogtelijn (hoogte)
De loodrechte lijn van een hoekpunt naar de overstaande zijde. De drie hoogtelijnen snijden in het hoogtepunt.
Hypotenusa
De langste zijde van een rechthoekige driehoek, tegenover de rechte hoek. Centraal in de stelling van Pythagoras.

I

Ingeschreven cirkel
De cirkel die alle drie de zijden van binnenuit raakt. De straal is r = oppervlakte / halve omtrek.

M

Middelloodlijn
De lijn die loodrecht staat op het midden van een zijde. De drie middelloodlijnen snijden in het middelpunt van de omgeschreven cirkel.

O

Omgeschreven cirkel
De cirkel die door alle drie de hoekpunten gaat. De straal is R = (a·b·c) / (4·oppervlakte).
Omtrek
De totale lengte van de rand: P = a + b + c.
Ongelijkzijdige driehoek
Een driehoek met drie verschillende zijdelengtes en drie verschillende hoeken.
Oppervlakte
De grootte van het vlak binnen de driehoek, meestal berekend met ½ × basis × hoogte. Zie oppervlakte berekenen.

R

Rechthoekige driehoek
Een driehoek met één hoek van 90°. Basis voor de stelling van Pythagoras en goniometrie.

S

Scherphoekige driehoek
Een driehoek waarvan alle hoeken kleiner zijn dan 90°.
Sinusregel
Verband a/sin(A) = b/sin(B) = c/sin(C) dat in elke driehoek geldt. Zie de formules.
Stomphoekige driehoek
Een driehoek met één hoek groter dan 90°.

Z

Zwaartelijn
De lijn van een hoekpunt naar het midden van de overstaande zijde. De drie zwaartelijnen snijden in het zwaartepunt.
Zwaartepunt
Het snijpunt van de zwaartelijnen; het verdeelt elke zwaartelijn in de verhouding 2 : 1 en is het balanspunt van de driehoek.

Toepassen maar

Begrippen helder? Reken er meteen mee in de calculator.

Open Calculator